Puch

In Nederland is Puch vooral bekend door de typische bromfietsen, die vooral in de jaren zestig populair waren. Het oorspronkelijke model was de MS 50, die in 1954 in Nederland verscheen en later de naam Baby Puch kreeg vanwege onder meer de kleine benzinetank. Deze bromfiets was zeer modern voor die tijd, met onder andere telescoopvering en een motor met geforceerde koeling. Hij kostte 650 gulden en dat was veel geld. Dit model had een gemakkelijke lage instap voor rokdraagsters. Omdat het economisch steeds beter ging, werd de bromfiets voor steeds meer jongeren bereikbaar. Het waren de ‘Kikkers’, Haagse beatniks, die als eersten begrepen dat deze Puch-‘damesbromfiets’ met enige aanpassingen ook dienst kon doen voor heren. Vergelijkbaar met de Mods in Engeland, die de scooter boven de motor verkozen, daagden zij de rockers op hun stoere ‘mannenbromfietsen’ uit. De beatcultuur groeide snel; bij de eerste officiële Puchrally op 5 mei 1962 van R.S. Stokvis, de Nederlandse importeur, waren al ongeveer zevenhonderd Puchbromfietsen aanwezig, vele met aangepast stuur, de berijders vaak gekleed in de typische groene parka. De opmars van de Puch begon in ‘beatstad’ Den Haag, en verspreidde zich als een olievlek over Nederland. Stokvis speelde hierop in en introduceerde het model Skyrider met hoog stuur, de kikkervormige koplamp en de gereedschapstrommels aan het achterspatbord. De koplamp en de kastjes werden door sommigen, vooral in de regio Den Haag, als ouderwets gezien en er snel af gesloopt. In andere regio’s was de witte Skyrider juist weer bijzonder hip en hij is nu, vrijwel altijd overgespoten, een veelvoorkomend en gevraagd model. Stokvis introduceerde daarna de veel moderner ogende Skytrack. Zo werd de Puch het cultmerk van artistiekelingen en liefhebbers van beatmuziek onder de middelbare scholieren. Dit in tegenstelling tot de merken Zündapp en Kreidler Florett, die vooral op de ambachtsschool populair waren bij de vetkuiven. Deze bromfietsen werden ook wel buikschuivers genoemd. De kunst was een machine zo op te voeren dat een snelheidswedstrijd bij een stoplicht kon worden gewonnen. De ‘vetkuiven’ waren daar beter in door hun grotere kennis van motoren. De ‘artistiekelingen’ zochten het dan ook vaker in de attributen. Zo was een Puch zonder hoog stuur niet erg gewild en er werd geëxperimenteerd met extra hoge, zeer brede, dan wel zeer smalle sturen. Niet zelden werden deze creaties door de politie afgekeurd en in beslag genomen. In de late jaren zestig kreeg Puch gezelschap van het nieuwe, wat eenvoudiger uitgevoerde, en dus goedkopere, cultmerk Tomos. De Tomos had een grotere koplamp, bredere spatborden en geen gereedschapstrommels. Voor de echte Puch-adepten was Tomos een imitatieproduct. Het frame van de Tomos zou echter sterker zijn dan dat van de Puch, dat bekendstond om zijn neiging tot scheeftrekken, vooral bij opgevoerde versies. Soms werden dan ook Tomos-frames met Puchmotoren gecombineerd, maar bij de introductie van de Tomos 4TL met vier voetversnellingen was dit niet meer mogelijk en zelfs ongewenst.

Enige resultaat weergegeven